De rechtbank Den Haag heeft op 30 mei 2024 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte geboren in 1988, woonachtig te Nieuwerkerk aan den IJssel. De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen, het telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van GHB, XTC en amfetamine, alsmede het voorbereiden van dergelijke feiten.
Tijdens de terechtzitting op 16 mei 2024 werd het bewijs besproken, waaronder verklaringen van de verdachte, politieproces-verbalen en rapporten van het NFI. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte op 1 februari 2024 een hoeveelheid GHB, XTC en amfetamine opzettelijk aanwezig had. De tenlasteleggingen betreffende het verkopen, verstrekken en voorbereidingshandelingen werden echter niet bewezen verklaard vanwege onvoldoende bewijs en de verklaring van de verdachte dat de drugs gezamenlijk met vrienden werden gebruikt.
De rechtbank hield rekening met het strafblad van de verdachte, reclasseringsadviezen en positieve ontwikkelingen tijdens de schorsing van voorlopige hechtenis. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 43 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 120 uur. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder meldplicht bij de reclassering en medewerking aan middelencontrole.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van de meer ernstige tenlasteleggingen, maar bevestigde de strafbaarheid van het aanwezig hebben van de verdovende middelen. De opgelegde straf is in overeenstemming met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.