ECLI:NL:RBDHA:2024:8320
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening verblijfsvergunning Dublinprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door verweerder niet in behandeling werd genomen met het argument dat Roemenië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 27 mei 2024 verscheen verzoeker niet, maar de gemachtigde van verweerder wel.
Op 30 april 2024 trok verweerder het bestreden besluit van 26 april 2024 in en nam een nieuw besluit. Door deze intrekking verviel het connexiteitsvereiste uit artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk werd verklaard. Omdat het beroep en verzoekschrift werden ingediend toen het besluit nog niet was ingetrokken, werd het beroep gegrond bevonden en werd verzoeker een vergoeding voor proceskosten toegekend.
De voorzieningenrechter veroordeelde verweerder tot betaling van € 875,- aan proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd in het openbaar gedaan en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.