ECLI:NL:RBDHA:2024:7968
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Kroatische verantwoordelijkheid
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2024 behandeld en het onderzoek op 20 maart 2024 gesloten.
Eiser voerde aan dat hij onzorgvuldig is gehoord met een niet-beëdigde tolk, dat de staatssecretaris een standaardmotivering gebruikte en onvoldoende rekening hield met zijn bezwaren, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege pushbacks in Kroatië. Ook stelde hij dat de staatssecretaris de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 Dublinverordening Pro had moeten toepassen wegens mishandeling en detentie in Kroatië.
De rechtbank oordeelde dat de tolk wel beëdigd was en dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd waarom het voornemen en het besluit zijn genomen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is terecht toegepast, aangezien er geen concrete aanwijzingen zijn dat Dublinterugkeerders in Kroatië pushbacks ondervinden. De discretionaire bevoegdheid is niet onjuist niet toegepast omdat de verklaringen van eiser geen structurele tekortkomingen in Kroatië aantonen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de staatssecretaris om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen en de verantwoordelijkheid bij Kroatië te leggen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag is ongegrond verklaard.