ECLI:NL:RBDHA:2024:7760

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 mei 2024
Publicatiedatum
22 mei 2024
Zaaknummer
NL24.2695
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41, zevende lid, Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenveroordeling na inwilliging mvv-aanvragen en intrekking beroep

Verzoeker had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn mvv-aanvragen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Op 13 maart 2024 nam de Staatssecretaris alsnog een inwilligend besluit op deze aanvragen. Naar aanleiding hiervan trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank om de Staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank oordeelde op grond van artikel 8:54 Awb Pro zonder zitting en stelde vast dat de Staatssecretaris aan het beroep tegemoet was gekomen door alsnog te beslissen. Dit rechtvaardigde een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a Awb. Omdat verzoeker een professionele juridische hulpverlener had ingeschakeld en de zaak van licht gewicht was, hanteerde de rechtbank een wegingsfactor van 0,5.

De rechtbank kende een bedrag van € 437,50 toe aan proceskosten, gebaseerd op één punt voor het indienen van het beroep met een waarde van € 875,- per punt, verminderd door de wegingsfactor. Daarnaast moet de Staatssecretaris het griffierecht vergoeden, wat rechtstreeks uit de wet volgt. De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Loman op 10 mei 2024.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van € 437,50 aan proceskosten na inwilliging mvv-aanvragen en intrekking beroep.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.2695
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Berger)

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van verzoeker, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op de mvv-aanvragen van verzoeker.
Op 13 maart 2024 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvragen.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft aangegeven de proceskosten te willen vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker door alsnog te beslissen op de aanvragen.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat verzoeker een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om
voor hem een verzoek in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,5, omdat deze zaak van licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een verzoek tot proceskostenveroordeling, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang beperkt is en de aard van de zaak eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak één categorie lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroep, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden. Omdat dit rechtstreeks uit de wet1 voortvloeit, hoeft de rechtbank dit niet afzonderlijk te bepalen.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
1 Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.
t