ECLI:NL:RBDHA:2024:7377
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsprocedure
Verzoekster heeft een aanvraag gedaan om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet. Deze aanvraag is door verweerder buiten behandeling gesteld in een besluit van 2 februari 2024. Verzoekster maakte hiertegen bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Verweerder besloot op 7 maart 2024 op het bezwaarschrift, maar verzoekster stelde geen beroep in tegen deze beslissing.
De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een verzoek om voorlopige voorziening alleen kan worden gedaan als er een beroepsprocedure loopt tegen het bestreden besluit. Omdat dit niet het geval is, wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.H. de Groot en griffier B.A. van der Wiel, en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een lopende beroepsprocedure.