ECLI:NL:RBDHA:2024:7111
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenveroordeling na ingetrokken beroep wegens onjuiste ingangsdatum verblijfsvergunning
Eiser ontving op 5 december 2023 een verblijfsvergunning asiel met een onjuiste ingangsdatum. Hij stelde dat de vergunning vanaf de datum van zijn asielaanvraag moest ingaan en dat zijn nationaliteit staatloos was. Verweerder erkende de fout en nam op 11 april 2024 een aanvullend besluit waarin de juiste ingangsdatum van 5 november 2022 werd vastgesteld.
Verweerder gaf aan bereid te zijn de proceskosten te vergoeden en stelde dat het beroep over de nationaliteit niet-ontvankelijk was. Eiser trok daarop het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding, waarmee verweerder instemde. De rechtbank veroordeelde verweerder vervolgens in de proceskosten van € 875,-, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan door rechter E.E.M. van Abbe en griffier M.M.A.F.C. Lienaerts op 30 april 2024. Partijen waren niet ter zitting verschenen. De uitspraak bevestigt dat bij ingetrokken beroep na tegemoetkoming in het bestuursrechtelijke geschil de proceskosten kunnen worden toegewezen aan de eiser.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten van € 875,- na ingetrokken beroep wegens gecorrigeerde ingangsdatum verblijfsvergunning.