Eiseres, van Salvadoraanse nationaliteit, vroeg asiel aan op Schiphol en werd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Zij stelde beroep in tegen deze maatregel en tevens tegen een aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). De rechtbank verklaarde het beroep tegen de aanwijzing niet-ontvankelijk omdat deze niet binnen haar bevoegdheid viel en verwees naar de mogelijkheid van administratief beroep.
De rechtbank oordeelde dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig was opgelegd. Eiseres had onvoldoende onderbouwd dat zij kwetsbaar was of dat een lichter middel passend was. Het grensbewakingsbelang rechtvaardigde de maatregel, mede omdat minder dwingende maatregelen toegang tot Nederland zouden kunnen verschaffen. De rechtbank stelde vast dat verweerder de asielaanvraag binnen de toegestane termijn had beoordeeld en de maatregel tijdig had opgeheven.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen onrechtmatigheid in de tenuitvoerlegging van de maatregel was vastgesteld. De rechtbank wees het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel af en verklaarde het beroep tegen de aanwijzing niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.