ECLI:NL:RBDHA:2024:6944
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens niet tijdig beslissen machtiging voorlopig verblijf
Verzoekster heeft op 31 januari 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf van 14 oktober 2022. Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris alsnog een besluit genomen en de aanvraag ingewilligd op 12 maart 2024. Hierop heeft verzoekster haar beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding. Op grond van artikel 8:75a Awb kan de rechtbank bij intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan de proceskosten aan het bestuursorgaan opleggen.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris aan verzoekster is tegemoetgekomen door alsnog te beslissen op de aanvraag. Daarom is het verzoek om proceskostenvergoeding gegrond. De proceskosten worden vastgesteld op € 437,50, gebaseerd op een puntentelling en een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte aard van het beroep. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan verzoekster.