ECLI:NL:RBDHA:2024:6741

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2024
Publicatiedatum
3 mei 2024
Zaaknummer
NL24.10327
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 5.1b lid 1, 3 en 4 Vb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens Dublin-claim ongegrond verklaard

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, stelde dat Spanje als verantwoordelijke lidstaat moest optreden en dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was. De staatssecretaris stelde dat Nederland inmiddels de verantwoordelijke lidstaat is en motiveerde de maatregel met risico op onttrekking aan toezicht en ontwijking van uitzetting.

De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris voldoende heeft toegelicht dat Nederland verantwoordelijk is en dat de gronden van de maatregel niet zijn bestreden. De feitelijke juistheid en het risico op onttrekking zijn voldoende gemotiveerd.

Eiser voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelde, maar de rechtbank constateerde dat de staatssecretaris tijdig een laissez-passer heeft aangevraagd en regelmatig vertrekgesprekken voerde. De medewerkingsplicht van eiser werd ook benadrukt.

Ambtshalve toetsing wees uit dat de maatregel tot het moment van sluiting van het onderzoek niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.10327
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris (gemachtigde: mr. J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretais aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Bouassel. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
De grondslag van de maatregel van bewaring
2. Eiser heeft aangevoerd dat hij een zogenoemde Dublin-claimant is: Spanje is de verantwoordelijke lidstaat. De maatregel van bewaring berust op een onjuiste grondslag en is daarom van meet af aan onrechtmatig.
3. De rechtbank overweegt dat de staatssecretaris voldoende heeft toegelicht dat Nederland (inmiddels) de verantwoordelijke lidstaat is. De beroepsgrond slaagt niet.
De gronden van de maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of
belemmert. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser heeft de gronden van de maatregel van bewaring niet bestreden. De rechtbank overweegt dat de feitelijke juistheid van de gronden en het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen dat daaruit volgt, in de maatregel van bewaring voldoende zijn gemotiveerd.
Het voortvarenheidsvereiste
6. Eiser heeft aangevoerd dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelt en dat zijn inbewaringstelling daarom onnodig lang duurt.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het procesdossier blijkt dat de staatssecretaris op 29 februari 2024, dus nog tijdens eisers strafrechtelijke detentie, een aanvraag voor een laissez-passer (lp) heeft ingediend bij de Algerijnse autoriteiten. De staatssecretaris is afhankelijk van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten. Verder voert de staatssecretaris geregeld vertrekgesprekken met eiser, voor het laatst op 11 maart 2024. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelt. De staatssecretaris heeft er in dit verband ook terecht op gewezen dat op eiser een medewerkingsplicht rust en bijvoorbeeld zelf actief de nodige inspanningen moet verrichten om aan identiteits- en nationaliteitspapieren te komen.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 maart 2024

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.