Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Inleiding
.
Rechtbank Den Haag
Eiseres, werkzaam als verkoop-/kassamedewerker, meldde zich ziek wegens psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na aanvraag van een WIA-uitkering weigerde het UWV deze omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast, waaronder een urenbeperking van 6 uur per dag, maar concludeerden dat eiseres geschikt was voor functies waarmee zij meer dan 65% van haar maatmanloon kon verdienen.
Eiseres betwistte de beoordeling en overhandigde een verklaring van een psychotherapeut, die meer beperkingen aannam. De rechtbank twijfelde aan de deskundigheid van deze verklaring, mede omdat de psychotherapeut niet in het BIG-register staat ingeschreven en eiseres niet zelf onderzocht had. De verzekeringsarts b&b gaf aan dat de beperkingen reeds adequaat waren meegenomen.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht een nieuwe medische en arbeidskundige beoordeling had gemaakt per datum van 25 januari 2022, en dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid was gebaseerd juist waren. Een correctie van het maatmanloon leidde niet tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage boven de 35%.
Daarom is de weigering van de WIA-uitkering terecht en verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.