ECLI:NL:RBDHA:2024:6507
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in Dublin-verzoek verblijfsvergunning
Verzoekster heeft een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen op grond van de Dublinverordening, omdat Frankrijk verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling.
Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op 16 april 2024, waarbij verzoekster en haar gemachtigde niet zijn verschenen.
De voorzieningenrechter overweegt dat op dezelfde dag reeds uitspraak is gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.13556), waardoor een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter P.J.M. Mol en griffier Z.P. de Wilde, en is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2024. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.