ECLI:NL:RBDHA:2024:5843
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublinverordening
Verzoeker heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel ingediend, die door de staatssecretaris niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Verzoeker stelde een familieband met een broer in Nederland, maar heeft deze niet met documenten kunnen onderbouwen.
De staatssecretaris heeft aangegeven dat zonder bewijs van het gezinslidmaatschap op grond van artikel 2 onder Pro g van de Dublinverordening, geen reden bestaat om de overdracht te weigeren. Ook een beroep op artikel 17, dat overdracht kan voorkomen bij onevenredige hardheid, is niet aannemelijk gemaakt.
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting uit te stellen, met het argument dat de minderjarige broer alleen in Nederland achterblijft. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen, omdat de enkele stelling van een familieband onvoldoende is onderbouwd en geen concrete aanwijzingen zijn gegeven.
De griffier heeft nog geprobeerd contact te zoeken met de gemachtigde van verzoeker om nadere onderbouwing te verkrijgen, maar dit was tevergeefs. De uitspraak is zonder zitting gedaan en er is geen mogelijkheid tot hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de familieband onvoldoende is onderbouwd.