ECLI:NL:RBDHA:2024:5604

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2024
Publicatiedatum
18 april 2024
Zaaknummer
NL23.31661
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Staatssecretaris in proceskosten wegens niet tijdig beslissen asielaanvraag

De verzoeker is op 5 oktober 2023 in beroep gegaan omdat de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet tijdig had beslist op zijn asielaanvraag. Tijdens de procedure heeft de Staatssecretaris alsnog op 22 januari 2024 een besluit genomen. Hierop heeft de verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van de verweerder in de proceskosten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de Staatssecretaris door het alsnog nemen van een besluit tegemoet is gekomen aan de verzoeker. Desondanks veroordeelt de rechtbank de Staatssecretaris in de proceskosten die de verzoeker heeft gemaakt, omdat het beroep licht van gewicht was en alleen betrekking had op de overschrijding van de beslistermijn.

De proceskosten worden vastgesteld op € 437,50, gebaseerd op een puntensysteem uit het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij één punt wordt toegekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 875,- en een wegingsfactor van 0,5. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier D.D. Bijlhout en is openbaar bekendgemaakt op 26 februari 2024.

Uitkomst: De Staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan de verzoeker.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.31661
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.D. van Elst), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.¹ Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen.²
3. Verzoeker is op 5 oktober 2023 in beroep gegaan, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag. Op 22 januari 2024 heeft verweerder alsnog een beslissing genomen op zijn aanvraag. Verzoeker heeft daarna het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingetrokken en daarbij de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoeker tegemoet is gekomen door hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
5. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat het ingestelde beroep van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
1. Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Op grond van artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
D.D. Bijlhout, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 februari 2024

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.