ECLI:NL:RBDHA:2024:4968
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering visum kort verblijf wegens twijfel aan terugkeerintentie
Verzoekster, van Iraanse nationaliteit, heeft een visum kort verblijf aangevraagd om haar ernstig zieke zus te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken heeft dit visum geweigerd omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en er redelijke twijfel bestond over het voornemen van verzoekster om het Schengengebied tijdig te verlaten.
De voorzieningenrechter erkent het zwaarwegend spoedeisend belang vanwege de ernstige gezondheidsklachten van de zus, waaronder borstkanker. Desondanks oordeelt de rechter dat er geen sterke twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het primaire besluit. De minister heeft een ruime beoordelingsmarge en mocht concluderen dat de sociale en economische bindingen van verzoekster met Iran onvoldoende waren aangetoond, mede vanwege het ontbreken van bewijs voor een substantieel inkomen en het niet aantonen van zorgverplichtingen.
De stellingen van verzoekster tijdens de zitting, zoals het ontvangen van een pensioen en het hebben van een jonge dochter, zijn niet voldoende onderbouwd en waren niet eerder ingebracht. Omdat één weigeringsgrond voldoende is, beoordeelt de rechter niet de overige argumenten. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van het visum wordt afgewezen.