De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 21 februari 2024 een besluit genomen dat verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, vanaf 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de EU binnen vier weken moet verlaten. Dit besluit is gebaseerd op het vervallen van de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG na 4 maart 2024.
Verzoeker heeft op 5 april 2024 beroep ingesteld tegen dit besluit en op 8 april 2024 een voorlopige voorziening gevraagd om tijdens de beroepsprocedure zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen te behouden. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld en gelet op recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de lopende prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU het verzoek kennelijk gegrond verklaard.
De voorzieningenrechter bepaalt dat verzoeker voorlopig moet worden behandeld alsof hij nog onder de werking van de tijdelijke beschermingsrichtlijn valt, wat inhoudt dat hij niet hoeft te vertrekken, zijn recht op opvang behoudt en mag blijven werken. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 875,- voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand. Deze voorlopige voorziening bindt de rechtbank niet in het bodemgeding en er is geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.