ECLI:NL:RBDHA:2024:4913
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning regulier wegens omgangsregeling zoon
Eiser maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid bij zijn zoon. De verblijfsvergunning was verleend met ingang van 23 oktober 2019, onder voorwaarde dat eiser een definitieve omgangsregeling met zijn zoon zou overleggen.
De rechtbank constateerde dat eiser niet vanaf 23 oktober 2019 niet aan de voorwaarden had voldaan, omdat de procedure omtrent de omgangsregeling toen nog liep en er enkele begeleide omgangsmomenten hadden plaatsgevonden. Wel was het verzoek tot vaststelling van de omgangsregeling door de rechtbank Midden-Nederland op 30 september 2021 afgewezen, en dit is door het hof bekrachtigd.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 23 oktober 2019 niet gerechtvaardigd was, maar stelde de intrekking in werking vanaf 30 september 2021. Het bestreden besluit werd vernietigd en eiser werd in de proceskosten van € 2.374,- veroordeeld.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 23 oktober 2019 wordt vernietigd; de intrekking geldt vanaf 30 september 2021.