ECLI:NL:RBDHA:2024:4878

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
NL24.11853
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen tegen beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense verzoeker

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 2 april 2024 uitspraak gedaan over een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeker, een Oekraïense derdelander, had beroep ingesteld tegen het besluit van 13 maart 2024 waarin de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de tijdelijke beschermingsstatus van verzoeker per 4 maart 2024 beëindigde.

De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was omdat de tijdelijke bescherming reeds was geëindigd, waardoor verzoeker geen aanspraak meer kon maken op de bij die status behorende rechten. Gezien het aantal en de aard van de beroepsgronden kon het beroep niet tijdig worden behandeld voordat de status eindigde.

Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen, waarmee het bestreden besluit werd geschorst totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak werd gedaan door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, en is onherroepelijk omdat geen hoger beroep of verzet openstaat. De zaak betreft toepassing van Europese richtlijnen en uitvoeringsbesluiten inzake tijdelijke bescherming van ontheemden uit Oekraïne.

Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de tijdelijke bescherming is geschorst totdat op het beroep is beslist en de staatssecretaris is veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11853

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Inleiding

In het besluit van 13 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat de tijdelijke bescherming [1] van verzoeker is geëindigd na 4 maart 2024.
Verzoeker heeft beroep (NL24.11852) ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van
de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige
voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Het eindigen van de tijdelijke bescherming zoals vastgesteld in het bestreden besluit brengt mee dat verzoeker na 4 maart 2024 geen aanspraak meer kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde. De vereiste onverwijlde spoed is hiermee gegeven.
3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het verzoek bij wijze van ordemaatregel op hierna te melden wijze toe te wijzen. Daartoe is redengevend dat het beroep niet kan worden afgehandeld voordat verzoekers tijdelijke beschermingsstatus eindigt, mede gelet op het aantal beroepsgronden en de aard daarvan. Verzoekers belang om de voorzieningen die horen bij de status van tijdelijk beschermde te behouden zolang het beroep loopt, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan verweerders belang om die voorzieningen na 4 maart 2024 meteen te beëindigen.
4. In de toewijzing van het verzoek bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 schorst het bestreden besluit totdat uitspraak is gedaan op het beroep;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn