ECLI:NL:RBDHA:2024:4861

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
NL24.12727
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor behoud tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander

Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn verzoek om opschorting van de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming. De staatssecretaris had op 20 maart 2024 medegedeeld dat het recht op tijdelijke bescherming van verzoeker van rechtswege op 4 maart 2024 eindigde, conform een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).

De voorzieningenrechter overweegt dat de situatie zich leent voor een voorlopige voorziening, mede vanwege recente uitspraken van de ABRvS op 2 april 2024, waarin voorlopige voorzieningen zijn getroffen voor zes vergelijkbare gevallen. Deze voorzieningen houden in dat de vreemdelingen niet worden uitgezet en worden behandeld alsof zij nog onder Richtlijn 2001/55/EG vallen totdat op het hoger beroep is beslist.

De staatssecretaris heeft gemeenten geïnformeerd dat deze voorzieningen alleen voor de zes betreffende vreemdelingen gelden, waardoor andere derdelanders kunnen worden uitgezet tenzij er een individuele voorlopige voorziening is. Gezien deze ontwikkelingen en de belangenafweging wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe, waardoor verzoeker voorlopig niet hoeft te vertrekken, zijn recht op opvang behoudt en mag blijven werken.

Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 875,- voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Verzoeker wordt voorlopig behandeld als vreemdeling onder Richtlijn 2001/55/EG en hoeft niet te vertrekken totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12727

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam],

V-nummer: [nummer], verzoeker
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1. In een brief van 20 maart 2024 heeft de staatssecretaris het verzoek van verzoeker om de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming op te schorten afgewezen. De staatssecretaris schrijft in de brief dat verzoeker niet bestrijdt dat hij behoort tot de zogenoemde groep derdelanders waarover de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft geoordeeld dat hun recht op tijdelijke bescherming van rechtswege op 4 maart 2024 eindigt. Het recht op tijdelijke bescherming van verzoeker komt dan ook op 4 maart 2024 van rechtswege te vervallen. Er is geen aanleiding om de beëindiging van de tijdelijke bescherming op te schorten, aldus de brief.
2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de brief van 20 maart 2024. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer NL24.12726.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. De voorzieningenrechter van de ABRvS heeft op 2 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1366) in zes zaken een voorlopige voorziening getroffen. In die uitspraken is gewezen op de verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Amsterdam waarbij prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de EU, en de uiteenlopende en verschillende oordelen van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank. Daarin ziet de voorzieningenrechter van de ABRvS aanleiding om de beantwoording van de prejudiciële vragen af te wachten. Om die reden is bepaald dat de betreffende vreemdelingen niet worden uitgezet en dat zij worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hen van toepassing is, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist.
6. De voorzieningenrechter heeft verder kennis genomen van de brief van 3 april 2024 van de staatssecretaris aan gemeenten waarin hij schrijft dat de door de voorzieningenrechter van de ABRvS getroffen voorzieningen alleen betrekking hebben op de zes betreffende vreemdelingen en dat gemeenten door kunnen gaan met het beëindigen van de opvang van andere derdelanders, zolang in individuele zaken geen ordemaatregel of voorlopige voorziening is getroffen.
7. Gelet op de hiervoor genoemde ontwikkelingen, maar ook omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter deze procedure zich niet leent om een voorlopig oordeel te geven over het besluitkarakter van de brief van 20 maart 2024, ziet de voorzieningenrechter na afweging van de betrokken belangen aanleiding om het verzoek toe te wijzen in die zin, dat verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist. Het treffen van de voorlopige voorziening betekent dat verzoeker voorlopig niet uit Nederland hoeft te vertrekken, dat hij zijn recht op opvang behoudt en dat hij mag blijven werken.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De staatssecretaris moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,-, omdat de gemachtigde van de vreemdeling een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe in die zin dat de verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat op het beroep is beslist;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot het betalen van de proceskosten tot een bedrag van € 875,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.