ECLI:NL:RBDHA:2024:4824

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2024
Publicatiedatum
5 april 2024
Zaaknummer
NL23.35021
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding wegens overschrijding beslistermijn in vreemdelingenzaak

Verzoekster is in beroep gegaan omdat de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag. Nadat verweerder alsnog een beslissing nam, trok verzoekster het beroep in en verzocht zij om vergoeding van haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de proceskosten en het griffierecht moet vergoeden omdat de beslissing pas na het instellen van het beroep is genomen. De proceskosten worden vastgesteld op €437,50, gebaseerd op het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener en de lichte aard van het beroep, dat alleen betrekking had op de overschrijding van de beslistermijn.

Verweerder heeft geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot vergoeding. De rechtbank bepaalt dat naast de proceskosten ook het griffierecht van €184,00 aan verzoekster moet worden vergoed. Er zijn geen andere kosten die vergoed kunnen worden.

De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier I. Abdilahi, en is op 22 maart 2024 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van €437,50 aan proceskosten en €184,00 aan griffierecht aan verzoekster.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.35021
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V nummer] (gemachtigde: mr. H. Hassan),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten en betaalde griffierecht. Verweerder heeft op 20 februari 2024 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.1 Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen.2
3. Verzoekster is op 6 november 2023 in beroep gegaan, omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag. Op 26 januari 2024 heeft verweerder een beslissing genomen op die aanvraag. Verzoekster heeft daarna het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingetrokken en daarbij de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten alsmede het griffierecht.
4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten en betaalde griffierecht van verzoekster te vergoeden.
5. Omdat verweerder pas nadat verzoekster in beroep is gegaan een beslissing heeft genomen, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het BpB is dit een vast bedrag, omdat verzoekster een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen.
1. Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Op grond van artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
6. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die verweerder moet betalen vast op
€ 437,50. (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,- met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat het ingestelde beroep van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Verweerder moet ook het griffierecht aan verzoekster betalen.3 Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,00 aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van I. Abdilahi, griffier.
3 Op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 maart 2024

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.