ECLI:NL:RBDHA:2024:4703
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, met de Jemenitische nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende op zijn individuele omstandigheden was ingegaan en dat de overdracht naar Duitsland onevenredige hardheid zou opleveren, mede vanwege vermeende onmenselijke behandeling in Duitsland.
De rechtbank oordeelde dat de algemene stelling van eiser onvoldoende was als beroepsgrond en dat verweerder in het bestreden besluit uitvoerig op de zienswijze van eiser was ingegaan. De rechtbank stelde dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan van de juiste naleving door Duitsland van Unierecht en mensenrechtenverdragen.
Verder werd geoordeeld dat verweerder een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening en dat het standpunt van verweerder om de aanvraag niet in behandeling te nemen redelijk was gemotiveerd. De rechtbank vond onvoldoende grond voor bijzondere omstandigheden die overdracht aan Duitsland onevenredig zouden maken. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.