ECLI:NL:RBDHA:2024:4617
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid in vreemdelingenzaak tijdelijke bescherming
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 7 februari 2024 een besluit genomen waarbij is vastgesteld dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en daarnaast tweemaal een voorlopige voorziening gevraagd om tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en voorzieningen te behouden. De voorzieningenrechter heeft eerder op 19 maart 2024 een voorlopige voorziening toegekend die verzoeker behandelt als een vreemdeling onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG.
Omdat verzoeker reeds een voorlopige voorziening heeft gekregen die hetzelfde beschermt als het onderhavige verzoek, is het nieuwe verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is zonder zitting gedaan en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard omdat de tijdelijke bescherming reeds is toegekend in een eerdere voorziening.