Eiseres, met Pakistaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in wegens een vermeende fatwa en bedreigingen vanwege een valse beschuldiging van een affaire met een pastoor. De staatssecretaris wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de verklaringen en stukken van eiseres onvoldoende geloofwaardig waren.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris terecht de fatwa en de bedreigingen ongeloofwaardig achtte. De verklaringen waren summier, ongerijmd en gebaseerd op vermoedens, terwijl de ingediende documenten niet op echtheid konden worden gecontroleerd. Ook de foto met de pastoor was bewerkt en de bedreigingen waren niet aannemelijk persoonlijk gericht op eiseres.
Verder werd vastgesteld dat eerdere asielprocedures dezelfde elementen al hadden beoordeeld en afgewezen, waardoor er geen nieuwe, geloofwaardige feiten waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.