ECLI:NL:RBDHA:2024:4526

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 maart 2024
Publicatiedatum
2 april 2024
Zaaknummer
NL24.10119 en NL24.10120
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Zwitserland

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling werd genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag volgens de Dublin-verordening.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar stelde geen gronden in zijn beroepschrift, ondanks een schriftelijke oproep van de rechtbank om dit te herstellen. Zijn gemachtigde gaf aan dat geen aanvullende gronden zullen worden ingediend, mede doordat eiser niet is verschenen op afspraken om het beroep te bespreken.

De rechtbank beoordeelde of er bijzondere feiten of omstandigheden waren die een inhoudelijke beoordeling vereisten, zoals schending van artikel 3 EVRM Pro bij gedwongen overdracht, maar vond hiervoor geen aanleiding.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.10119 en NL24.10120
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 maart 2024 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk niet-ontvankelijk. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1997. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In een beroepschrift dienen gronden te staan. Dat is bepaald in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb [2] . Als er niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb, kan het beroepschrift niet-ontvankelijk worden verklaard op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb. De indiener moet dan wel de mogelijkheid hebben gehad om het verzuim te herstellen binnen een gestelde termijn.
5. Hoewel eiser in de gelegenheid is gesteld om gronden in te dienen, heeft hij dit niet gedaan. Bij brief van 11 maart 2024 heeft de rechtbank eiser hierop gewezen. Eiser heeft toen de mogelijkheid gekregen om het verzuim uiterlijk op 18 maart 2024 te herstellen door alsnog de ontbrekende gronden in te dienen. De gemachtigde van eiser heeft op 15 maart 2024 laten weten dat de gronden niet zullen worden aangevuld. Eiser is namelijk – ondanks verschillende opgeroepen – niet verschenen op de afspraken met zijn gemachtigde om de eventuele gronden van zijn beroep te bespreken.
6. Gelet hierop dient de rechtbank slechts de vraag te beantwoorden of het digitale dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar [3] . Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van Pro het EVRM [4] . Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.
7. Nu eiser geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om het verzuim te herstellen zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Omdat beslist is op het beroep, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.10119, verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL24.10120, wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van B.C.N. van Slingerland, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.