ECLI:NL:RBDHA:2024:4525

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 april 2024
Publicatiedatum
2 april 2024
Zaaknummer
NL24.8732
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens reeds toegewezen bescherming

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 februari 2024 een besluit genomen dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten. Dit besluit is gebaseerd op het feit dat de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 van rechtswege eindigt na 4 maart 2024.

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit terugkeerbesluit (zaaknummer NL23.27013) en heeft daarnaast tweemaal een voorlopige voorziening gevraagd om tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen te behouden (zaaknummers NL23.26984 en NL24.8732).

De voorzieningenrechter oordeelt dat het tweede verzoek om voorlopige voorziening (NL24.8732) kennelijk niet-ontvankelijk is omdat op 19 maart 2024 al een voorlopige voorziening is toegewezen in zaak NL23.26984. Hierdoor wordt verzoeker behandeld als een vreemdeling die nog onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat het beroep is beslist. Omdat deze bescherming al is toegekend, heeft verzoeker geen belang bij de behandeling van het tweede verzoek.

De voorzieningenrechter verklaart daarom het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat reeds een voorlopige voorziening is toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8732

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. M. Dalloesingh),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

Inleiding

1. In het besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dat hij de Europese Unie binnen vier weken ná 4 maart 2024 moet verlaten en dat hij moet terugkeren naar zijn land van herkomst. De staatssecretaris heeft dit terugkeerbesluit genomen omdat volgens hem de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 van rechtswege eindigt na 4 maart 2024.
2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer NL23.27013. Hij heeft verder de voorzieningenrechter tweemaal verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummers NL23.26984 en NL24.8732), die inhoudt dat hij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
4. Bij uitspraak van 19 maart 2024 is het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak NL23.26984 toegewezen. Dit betekent dat verzoeker dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt, totdat op het beroep is beslist. Dat betekent ook dat verzoeker geen belang heeft bij een behandeling van het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening, nu die al aan hem is toegewezen.
4.1.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4.2.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.