ECLI:NL:RBDHA:2024:430
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- S. Ketelaars - Mast
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
Verzoeker, van Marokkaanse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bij besluit van 13 december 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens is bepaald dat verzoeker Nederland onmiddellijk moet verlaten en een inreisverbod van twee jaar wordt opgelegd.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd. Tijdens de procedure is gebleken dat verzoeker op 5 januari 2024 met onbekende bestemming is vertrokken en niet is verschenen op een geplande afspraak. De gemachtigde van verzoeker heeft aangegeven niet op de zitting van 18 januari 2024 te zullen verschijnen en verzocht om uitspraak op de stukken.
De rechtbank heeft, nadat ook de verweerder heeft aangegeven geen gebruik te maken van het recht om ter zitting te worden gehoord, besloten de zitting achterwege te laten en het onderzoek te sluiten op 16 januari 2024. Gezien de uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL23.39662) is een voorlopige voorziening niet langer nodig en wordt het verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen.