Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2024:4199

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2024
Publicatiedatum
26 maart 2024
Zaaknummer
C/09/655489 / JE RK 23-2109
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 1:265j BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag heeft op 16 januari 2024 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2012 en 2019. De kinderen verblijven sinds maart 2022 in een gezinshuis vanwege ernstige bedreigingen in hun ontwikkeling, waaronder getuige zijn geweest van huiselijk geweld en zorgen over het middelengebruik van hun ouders.

De gecertificeerde instelling verzoekt om verlenging van de maatregelen voor zes maanden, met het oog op het bieden van een stabiele opvoedomgeving en het creëren van duidelijkheid over het toekomstperspectief van de kinderen. De moeder werkt aan haar verslaving en wil beter worden om voor haar kinderen te kunnen zorgen, maar haar situatie is nog pril en wisselend.

De kinderrechter stelt vast dat de ouders niet zelfstandig in staat zijn de bedreigingen weg te nemen en dat het belang van de kinderen vraagt om voortzetting van de huidige situatie. De verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk voor hun verzorging en opvoeding. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen worden verlengd tot 17 juni 2024.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/655489 / JE RK 23-2109
Datum uitspraak: 16 januari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[vader],
hierna te noemen de vader,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
[gezinshuisouder 1] en [gezinshuisouder 2],
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 december 2023 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd van 17 december 2023 tot 18 januari 2024 en heeft voor dezelfde duur de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening verlengd. De behandeling van het verzoek voor het overige is aangehouden tot deze zitting.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- de beschikking van 8 december 2023;
- de toetsing van de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) in de zin van artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.
1.3.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 november 2023. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
- de gezinshuisouders, via videoverbinding.

2.Het verzoek

2.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van zes maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Van dit verzoek resteert nog de periode tot 17 juni 2024.
2.2.
De gecertificeerde instelling heeft in februari 2023 al het standpunt in genomen ) dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het gezinshuis zouden moeten opgroeien. De kinderen hebben in hun korte levens al veel meegemaakt en hebben behoefte aan een stabiele opvoedomgeving. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laten elk op hun eigen manier zien last te hebben van hun trauma’s. Zij maken het goed in het gezinshuis. De gecertificeerde instelling is van plan om kort na de zitting een beslissing te nemen over de vervolgstap die daarbij hoort. Er zal of gevraagd worden aan de Raad om te onderzoeken of het gezag van de moeder beëindigd moet worden, of de uithuisplaatsing van de kinderen kan in het vrijwillige kader voortgang vinden. De moeder kan, als het goed met haar gaat, samenwerken met de gezinshuisouders en de jeugdbescherming. Als de moeder drugs gebruikt is zij daarentegen moeilijk te bereiken voor het nemen van gezagsbeslissingen. Aan het eind van de zomer van 2023 was de moeder psychotisch door drugsgebruik en kwam ze de afspraken met de kinderen niet na. Omdat de situatie van de moeder zo veranderlijk is, is het moeilijk om te bepalen welk pad bewandeld zou moeten worden. Het standpunt van de moeder over de uithuisplaatsing van de kinderen verandert ook regelmatig. De moeder heeft wel met een traumatherapeut een brief geschreven waarin zij de kinderen vertelt dat de nare dingen die zij hebben meegemaakt niet hun schuld zijn en waarin zij toestemming geeft aan de kinderen om in het gezinshuis wonen. Los van de eventuele vervolgstappen, is de gecertificeerde instelling van mening dat de huidige situatie voortgang moet vinden. Daarvoor is noodzakelijk dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd worden.

3.De standpunten

3.1.
De moeder staat er achter dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig in het gezinshuis blijven wonen. Zij woont sinds kort bij [instelling] om te werken aan haar verslaving. De kinderen zijn erg belangrijk voor haar en ze wil graag beter worden om voor haar kinderen te kunnen zorgen in de toekomst. De moeder heeft één keer per maand contact met haar kinderen in Den Haag. De moeder volgt Nederlandse les, omdat zij in Nederland wil blijven wonen en omdat ze beter met [minderjarige 2] (die alleen Nederlands spreekt) wil kunnen communiceren.
3.2.
De gezinshuisouders willen de goede samenwerking met de moeder graag behouden. Zij zien wel dat het invloed heeft op de kinderen als de moeder haar afspraken niet nakomt. De mening van de moeder over de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis is wisselend. Wat de gezinshuisouders betreft kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij hen opgroeien. In december heeft de traumatherapeut de brief van de moeder aan de kinderen voorgelezen. Vooral aan [minderjarige 1] is te zien dat hij sindsdien meer ontspannen is en meer kind kan zijn. Beide kinderen ontwikkelen zich goed. Dit wordt door de school van de jongens bevestigd.

4.De beoordeling

4.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.2.
De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn de volgende. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn getuige geweest van fysiek en psychisch huiselijk geweld tussen hun ouders. Er zijn zorgen over middelengebruik van beide ouders en de moeder heeft daarnaast andere psychische problematiek. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierdoor trauma’s opgelopen, waar zij ieder op hun eigen manier last van hebben. [minderjarige 1] heeft bijvoorbeeld moeite om zijn emoties te uiten en wil graag iedereen tevreden houden. [minderjarige 2] vraagt veel aandacht van zijn opvoeders en heeft een taalachterstand. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien al sinds maart 2022 op in het gezinshuis en ontwikkelen zich daar goed. Het is zeer positief dat wordt gezien dat de kinderen (en vooral [minderjarige 1] ) zich meer kunnen ontspannen door de brief van de moeder.
4.3.
De ouders zijn niet zelfstandig in staat om de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen weg te nemen. De vader is op dit moment niet betrokken in het leven van de kinderen en de moeder wordt te veel in beslag genomen door haar eigen problematiek. De moeder is op dit moment hard aan het werk om haar situatie te verbeteren. Zij woont bij [instelling] , wil werken aan haar verslaving en wil de Nederlandse taal leren. Deze verbetering is nog relatief pril. Een aantal maanden geleden is nog besloten om de frequentie van de contactmomenten tussen de moeder en de kinderen terug te brengen. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de huidige (verblijfs)situatie in stand te laten, in ieder geval voor de komende zes maanden. In de komende periode moet meer duidelijkheid ontstaan over hoe deze plaatsing op lange termijn vorm moet krijgen.
4.4.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van zes maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 17 juni 2024;
5.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 17 juni 2024;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2024 door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.T. Verlinde als griffier, en op schrift gesteld op 31 januari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.