ECLI:NL:RBDHA:2024:4121
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, verzocht asiel in Nederland nadat hij via meerdere landen en Zwitserland was gereisd. De staatssecretaris nam zijn asielaanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening, welke bepaalt dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor de eerste aanvraag de behandeling moet uitvoeren.
Eiser stelde dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had dat zijn aanvraag in Nederland inhoudelijk zou worden behandeld, mede vanwege een aanbiedingsbrief die sprak over behandeling in de AA-procedure. De rechtbank oordeelde echter dat deze brief geen toezegging inhield en dat de staatssecretaris niet bevoegdheidsverlies leed door het volgen van de Dublinprocedure.
Verder voerde eiser aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kon worden toegepast vanwege de situatie in Zwitserland, met verwijzing naar rapporten over discriminatie en mensenrechtenschendingen. De rechtbank vond dat deze rapporten onvoldoende waren om het vertrouwensbeginsel te doorbreken en dat eiser geen aannemelijk bewijs leverde dat hij in Zwitserland een reëel risico op onmenselijke behandeling loopt.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees ook het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.L. Roubos en griffier S.E. Harms.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.