ECLI:NL:RBDHA:2024:4094

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2024
Publicatiedatum
25 maart 2024
Zaaknummer
24.10097
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening ter behoud van tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit genomen waarbij is vastgesteld dat verzoekster vanaf 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten. Dit besluit is gebaseerd op het beëindigen van de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.

Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om tijdens de beroepsprocedure haar tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen te behouden. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzoek kennelijk gegrond is en wijst het toe zonder zitting, conform artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzieningenrechter benadrukt dat het oordeel voorlopig is en niet bindend voor de bodemrechter. Gezien de complexiteit van de rechtsvragen rond het beroep, wordt verzoekster voorlopig behandeld als vreemdeling die onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat het beroep is beslist.

Daarnaast wordt de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 875,-, omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Verzoekster wordt voorlopig behandeld als vreemdeling onder Richtlijn 2001/55/EG en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10097

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2024 in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Inleiding

1. In het besluit van de staatssecretaris van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat verzoekster met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dat zij de Europese Unie binnen vier weken ná 4 maart 2024 moet verlaten en dat zij moet terugkeren naar haar land van herkomst. De staatssecretaris heeft dit terugkeerbesluit genomen omdat de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 volgens verweerder van rechtswege eindigt na 4 maart 2024.
2. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep staat bekend onder zaaknummer NL24.10096. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat zij tijdens de behandeling van het beroep haar tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt.

Beoordeling van de voorzieningenrechter

3. Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk gegrond is.
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leent deze procedure zich niet om een voorlopig oordeel te geven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit gelet op de rechtsvragen die samenhangen met het beroep. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om het verzoek toe te wijzen in die zin, dat verzoekster dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2011/55/EG valt totdat op het beroep is beslist.
5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster ook een vergoeding voor haar proceskosten. De staatssecretaris moet dit betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,-, omdat de gemachtigde van de vreemdeling een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe in die zin dat de verzoekster dient te worden behandeld als een vreemdeling die (nog) onder de werking van Richtlijn 2011/55/EG valt totdat op het beroep is beslist;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot het betalen van de proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.