ECLI:NL:RBDHA:2024:4038

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 maart 2024
Publicatiedatum
25 maart 2024
Zaaknummer
NL24.5169
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag van verzoeker om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af als kennelijk ongegrond op 8 februari 2024. Verzoeker stelde beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat de rechtbank over het beroep heeft beslist.

Verzoeker vroeg ook om aanhouding van de behandeling van het beroep voor het verrichten van een contra-expertise tegen een taalanalyse en overlegde een verklaring van geboorte van de Somalische ambassade ter authenticiteitscontrole. De staatssecretaris verzette zich niet tegen de aanhouding en de voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk gegrond is en wees de voorlopige voorziening toe, waardoor verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 875,- vanwege de contra-expertise. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Voorlopige voorziening toegewezen waardoor verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.5169

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 maart 2024 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Inleiding

1. Bij besluit van 8 februari 2024 heeft de staatssecretaris de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verzoeker heeft vervolgens verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep voor het verrichten van een contra-expertise tegen de taalanalyse van 13 april 2023. Daarnaast heeft verzoeker in beroep een verklaring van geboorte van de Somalische ambassade in Brussel overgelegd. Dit document wil verzoeker graag laten onderzoeken op authenticiteit.
2. De staatssecretaris heeft bij brief van 12 maart 2024 aangegeven dat hij zich niet verzet tegen de aanhouding van het beroep en heeft ook aangegeven dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
2.1.
Partijen zijn uitgenodigd voor de behandeling van dit verzoek op de zitting van 13 maart 2024. Deze uitnodiging is ingetrokken. Gelet op de brief van de staatssecretaris van 12 maart 2024 is het verzoek namelijk kennelijk gegrond en is een zitting niet langer nodig in deze zaak. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Nu de staatssecretaris zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening, zal de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk gegrond toewijzen. Verzoeker mag niet worden uitgezet, totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep. Indien het beroep wordt ingetrokken of anderszins wordt beëindigd, zal deze voorlopige voorziening komen te vervallen.
4. De staatssecretaris verzet zich wel tegen veroordeling van de proceskosten, omdat de verklaring van geboorte pas in de beroepsfase is overgelegd en daarbij niet is toegelicht waarom dat document niet eerder overgelegd en/of aangevraagd had kunnen worden.
5. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De voorlopige voorziening wordt namelijk ten eerste toegewezen vanwege de contra-expertise tegen de taalanalyse die verzoeker laat verrichten. Hoewel hij deze contra-expertise in beginsel al na het voornemen van 6 november 2023 had kunnen laten verrichten, heeft verzoeker in zijn zienswijze wel aangegeven waarom en op welke punten hij de taalanalyse niet kan volgen. Om deze reden kan de voorzieningenrechter volgen dat verzoeker niet direct na het voornemen is overgegaan tot het laten verrichten van een contra-expertise, maar eerst de reactie van de staatssecretaris op zijn zienswijze heeft willen afwachten. Ook heeft verzoeker na het bestreden besluit niet onredelijk lang gewacht met het laten verrichten van een contra-expertise. Het bestreden besluit dateert namelijk van 8 februari 2024. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het begrijpelijk is dat verzoeker eerst duidelijkheid wilde krijgen of er in deze procedure voldoende tijd zou zijn om een contra-expertise te laten uitvoeren.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.