ECLI:NL:RBDHA:2024:4011

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2024
Publicatiedatum
22 maart 2024
Zaaknummer
NL24.6638
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 17 DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen weigering asielaanvraag wegens Dublinverordening en verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon, diende op 16 september 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder weigerde deze aanvraag in behandeling te nemen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Nederland had een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat werd aanvaard.

Eiser voerde aan dat overdracht aan Duitsland onevenredige hardheid zou zijn, omdat hij enkel kort in Duitsland was aangehouden voor vingerafdrukken en niet geïnformeerd werd over asielmogelijkheden. Ook had hij de intentie om naar Nederland te reizen vanwege familiebanden. De rechtbank oordeelde dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is en dat verweerder mocht vertrouwen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de informatie uit Eurodac.

De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat Duitsland niet aan zijn verdragsverplichtingen voldoet. Ook achtte zij de verblijfplaats van de broer en de intentie van eiser geen bijzondere omstandigheden die overdracht onevenredig zouden maken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6638

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig M. Fayez. Verschenen is de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft op 16 september 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert daartegen aan dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Hij had de intentie om naar Nederland af te reizen omdat zijn broer hier verblijft. Daarnaast is eiser in Duitsland enkel aangehouden door de politie om vingerafdrukken af te geven. Eiser is medegedeeld dat dat slechts zou zijn voor onderzoek naar criminele antecedenten. Eiser is na een nacht detentie weer vrijgelaten door de politie. Eiser is toen niet gewezen op de mogelijkheid om asiel aan te vragen, ook is hij niet doorverwezen naar een aanmeldcentrum of opvanglocatie.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet zo is.
5. Uit vaste rechtspraak volgt dat verweerder in beginsel mag afgaan op de juistheid van de informatie uit Eurodac zodat verweerder op grond daarvan mag aannemen dat eiser eerder in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Bovendien hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zullen nemen. Het persoonlijk relaas van eiser biedt verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Duitsland ten aanzien van hem niet aan zijn verdragsverplichtingen voldoet. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.
6. Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat het gestelde verblijf van de broer van eiser in Nederland en de intentie van eiser om naar Nederland af te reizen, geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt.
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.