ECLI:NL:RBDHA:2024:394
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering herziening
Eiser, van Iraanse nationaliteit, diende in 2018 een asielaanvraag in die in 2021 werd afgewezen omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij deel uitmaakte van een anti-regime protestgroep. Zijn beroep en hoger beroep werden ongegrond verklaard, waardoor het besluit in rechte vaststond.
In 2022 diende eiser een opvolgende asielaanvraag in, waarbij hij aanvankelijk geen zelfstandige motieven aanvoerde. Later gaf hij aan wel zelfstandige motieven te hebben, mede gebaseerd op erkenning van zijn zwager als vluchteling wegens dezelfde politieke activiteiten. De staatssecretaris verleende in september 2022 een vergunning vanwege de geloofwaardigheid van de afvalligheid van eiser en zijn echtgenote, maar achtte het lidmaatschap van de protestgroep nog steeds ongeloofwaardig.
Na beroep en aanvullend onderzoek trok de staatssecretaris het besluit in februari 2023 in en verleende alsnog een vergunning met ingang van de opvolgende aanvraagdatum. Eiser stelde dat het eerdere oordeel herzien moest worden en dat hij recht had op een vergunning vanaf de eerste aanvraagdatum in 2018, mede op grond van het gelijkheidsbeginsel en de geloofwaardigheid van het relaas van zijn zwager.
De rechtbank oordeelt dat eiser procesbelang heeft bij het beroep en dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de geloofwaardige verklaringen van de zwager geen gevolgen hebben voor de beoordeling van het relaas van eiser. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, waarbij ook de proceskosten van eiser worden toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.