ECLI:NL:RBDHA:2024:3851

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 maart 2024
Publicatiedatum
20 maart 2024
Zaaknummer
NL24.10741
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot behoud tijdelijke bescherming na beëindiging status

Verzoekster kreeg op 21 februari 2024 bericht dat haar tijdelijke beschermingsstatus per 4 maart 2024 zou eindigen. Hiertegen stelde zij beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om haar status en de bijbehorende voorzieningen te behouden gedurende de beroepsprocedure.

De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was omdat de bescherming zou eindigen voordat het beroep kon worden behandeld. Gezien het aantal en de aard van de beroepsgronden woog het belang van verzoekster om haar rechten te behouden zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om de bescherming per 4 maart te beëindigen.

Daarom werd het bestreden besluit geschorst totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten van €875, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor beroepsmatige rechtsbijstand.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter E.F. Bethlehem en griffier N.M.L. van der Kammen en is zonder mogelijkheid tot hoger beroep of verzet. De zaak betreft toepassing van Europese richtlijnen en uitvoeringsbesluiten inzake tijdelijke bescherming bij massale toestroom van ontheemden.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt geschorst en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van €875 proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.10741

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoekster

V-nummers: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

In het besluit van 21 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat de tijdelijke bescherming [1] van verzoekster eindigt na 4 maart 2024.
Verzoekster heeft beroep (NL24.10739) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat zij tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen behoudt.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van
de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige
voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Het eindigen van de tijdelijke bescherming zoals vastgesteld in het bestreden besluit brengt mee dat verzoekster na 4 maart 2024 geen aanspraak meer kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde. De vereiste onverwijlde spoed is hiermee gegeven.
3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het verzoek bij wijze van ordemaatregel op hierna te melden wijze toe te wijzen. Daartoe is redengevend dat het beroep niet kan worden afgehandeld voordat verzoeksters tijdelijke beschermingsstatus eindigt, mede gelet op het aantal beroepsgronden en de aard daarvan. Verzoeksters belang om de voorzieningen die horen bij de status van tijdelijk beschermde te behouden zolang nog niet op het beroep is beslist, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan verweerders belang om die voorzieningen na 4 maart 2024 meteen te doen beëindigen.
4. In de toewijzing van het verzoek bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 schorst het bestreden besluit totdat uitspraak is gedaan op het beroep;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn