ECLI:NL:RBDHA:2024:3779
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in Dublin-zaak verblijfsvergunning asiel
Verzoeker, van Turkse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit verzoek niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielprocedure op grond van de Dublin-verordening.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om het besluit te schorsen. De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan.
Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL24.1813), acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.