ECLI:NL:RBDHA:2024:3759
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor behoud tijdelijke bescherming vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 7 februari 2024 een besluit genomen waarin werd vastgesteld dat verzoeker vanaf 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij de Europese Unie binnen vier weken na 4 maart 2024 moet verlaten. Dit terugkeerbesluit is gebaseerd op het beëindigen van de tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend om tijdens de behandeling van het beroep zijn tijdelijke bescherming en de daarbij behorende voorzieningen te behouden. De voorzieningenrechter heeft het verzoek zonder zitting behandeld en geoordeeld dat het verzoek kennelijk gegrond is.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het oordeel voorlopig is en niet bindend voor de rechtbank in een bodemprocedure. Gezien de complexiteit van de rechtsvragen acht de voorzieningenrechter het passend om verzoeker te behandelen alsof hij nog onder de werking van Richtlijn 2001/55/EG valt totdat het beroep is beslist.
Daarnaast is de staatssecretaris veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Verzoeker behoudt tijdens de beroepsprocedure zijn tijdelijke bescherming onder Richtlijn 2001/55/EG.