ECLI:NL:RBDHA:2024:3630
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming rijnvarende met Zwitserse werkgever wegens niet-rijnoeverstaat
Eiser, een rijnvarende die tussen 1 mei 2011 en 28 juli 2011 op een Rijnvaartschip voer met een Nederlandse eigenaar, diende een aanvraag in voor een tegemoetkoming wegens dubbele premiebetaling aan Nederlandse en Zwitserse socialezekerheidsstelsels. De minister wees deze aanvraag deels af omdat Zwitserland in die periode niet als rijnoeverstaat werd beschouwd volgens de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden.
Eiser voerde aan dat dit onredelijk was en in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Hij verzocht om exceptieve toetsing van de Regeling en toepassing daarvan op zijn situatie. De minister verdedigde de keuze voor de afbakening van de rijnoeverstaten en het onverplichte, tijdelijke karakter van de Regeling.
De rechtbank oordeelde dat de Regeling een tijdelijke, unilaterale maatregel is met een beperkte doelgroep en dat de minister ruime beleidsvrijheid heeft bij de afbakening. Zwitserland werd terecht pas vanaf 1 april 2012 als rijnoeverstaat erkend. De rechtbank vond geen aanleiding om de Regeling buiten toepassing te laten of de minister te verplichten tot een ruimere tegemoetkoming. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel faalde omdat eiser geen concrete toezeggingen of gelijke behandeling kon aantonen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om prorogatie van een herzieningsbeschikking werd afgewezen. De uitspraak bevestigt dat de minister terughoudend wordt getoetst bij tijdelijke regelingen met een beperkte doelgroep en dat beleidskeuzes omtrent de afbakening van begunstigden in dit kader niet snel onredelijk worden bevonden.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor tegemoetkoming wordt afgewezen.