ECLI:NL:RBDHA:2024:350

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2024
Publicatiedatum
15 januari 2024
Zaaknummer
NL23.39058
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Duitsland

Eiser, met Algerijnse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet inhoudelijk werd behandeld omdat Duitsland volgens het Dublinverdrag verantwoordelijk is voor de beoordeling.

Eiser betoogde dat hij in Duitsland geen opvang, medische zorg of bescherming krijgt en vreest voor discriminatie, detentie en uitzetting naar Algerije. Hij stelde dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek deed naar de situatie in Duitsland en zijn individuele omstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij Nederland erop mag vertrouwen dat Duitsland zijn verplichtingen nakomt. Eiser slaagde er niet in dit te weerleggen met concrete bewijsstukken. Medische klachten en opvangproblemen vormden geen reden voor inhoudelijke behandeling.

De Duitse autoriteiten hebben volgens de rechtbank het asielverzoek in behandeling genomen en de Europese regelgeving is van toepassing. De rechtbank verwierp het beroep en verklaarde het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Proceskosten werden niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-inhoudelijk behandelen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39058 (beroep) en NL23.39059 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser/verzoeker] , V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het door verweerder niet inhoudelijk in behandeling nemen van zijn asielaanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 2001. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser bij besluit van 12 december 2023 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de inhoudelijke beoordeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser geeft aan helemaal niets te hebben in Duitsland en dat hij daar aan zijn lot overgelaten zal worden. Eiser stelt dat de opvangfaciliteiten in Duitsland slecht zijn en dat hij geen medische behandeling heeft gekregen voor zijn been. Daarnaast geeft eiser aan dat hij vreest voor discriminatie en dat hij in detentie geplaatst zal worden. Eiser voert verder aan dat hem is aangezegd Duitsland te verlaten en dat zijn aanvraag daarom niet in behandeling zal worden genomen. Ook vreest eiser dat hij uitgezet zal worden naar Algerije, waar hij gevaar loopt. Eiser is van mening dat verweerder een eigen, zelfstandig onderzoek moeten verrichten naar de juridische en feitelijke situatie in Duitsland ten aanzien van asielzoekers. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende onderzocht of eiser daadwerkelijk een asielaanvraag in Duitsland heeft gedaan. Daarnaast geeft eiser aan dat het volstrekt onduidelijk is of eiser wel in Duitsland toegelaten zal worden tot de asielprocedure. Tot slot voert eiser aan dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat Duitsland in het algemeen de verdragsverplichtingen niet nakomt en heeft ook niet geconcretiseerd waaraan en met welke reden verweerder nader onderzoek dient te verrichten betreffende de (opvang)voorzieningen. Ook de door eiser gestelde medische problemen zijn geen reden om het verzoek om internationale bescherming inhoudelijk in behandeling te nemen. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet is gebleken van een zodanige lichamelijke aandoening, dat overdracht aan Duitsland een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand zal opleveren. Hierbij is van belang dat de medische voorzieningen in Duitsland van vergelijkbare kwaliteit als van die in Nederland worden geacht te zijn.
5.2.
Verder hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te zullen nemen en zijn de verdragen en Europese richtlijnen ook geldig ten aanzien van de asielprocedure in Duitsland. Bij voorkomende problemen betreffende de opvang- of medische voorzieningen in Duitsland is het aan eiser om te klagen bij de daartoe geëigende instanties, dan wel bij de (hogere) autoriteiten.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Duitsland. Verweerder heeft alle door eiser aangevoerde omstandigheden en belangen voldoende betrokken in zijn beoordeling.
7. Tot slot overweegt de rechtbank dat het Hof van Justitie van de Europese Unie onlangs heeft geoordeeld dat - kort gezegd - een rechter bij een overdrachtsbesluit niet mag toetsen of indirect refoulement aannemelijk is wanneer deze rechter niet vaststelt dat er in de aangezochte lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. [2] Nu verweerder heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, zal de rechtbank daarom niet meer op deze beroepsgrond ingaan.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard, nu er op het beroep wordt beslist.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van C. Gümüş, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen verzet of hoger beroep mogelijk.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Uitspraak van 30 november 2023,