ECLI:NL:RBDHA:2024:3450
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
Verzoekster, een minderjarige van Salvadoraanse nationaliteit met autisme, heeft bezwaar gemaakt tegen het ambtshalve besluit van verweerder om geen toepassing te geven aan artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, dat uitstel van vertrek kan verlenen op medische gronden.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 16 januari 2024 en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Uit het advies van het Bureau Medische Advisering bleek dat verzoekster in staat is te reizen, mits zij begeleid wordt door haar ouders. Er is geen sprake van een medische noodsituatie die een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.
Verzoekster voerde aan dat het beleid van verweerder onjuist was geïnterpreteerd en dat ook niet-levensbedreigende situaties onder het Handvest bescherming verdienen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het gehanteerde beleid met een indicatieve termijn van drie tot zes maanden niet onredelijk is en dat verweerder terecht uitging van de begeleiding door ouders.
De belangenafweging leidde tot de conclusie dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en dat het besluit van verweerder rechtmatig is. Het verzoek om griffierechtvrijstelling werd wel toegewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit om geen uitstel van vertrek toe te passen is afgewezen.