ECLI:NL:RBDHA:2024:3408
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense verzoeker
Verzoeker, een Oekraïense vreemdeling, kreeg tijdelijke bescherming toegekend die volgens het bestreden besluit van 7 februari 2024 eindigde per 4 maart 2024. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om de bescherming en de daarbij behorende voorzieningen te behouden tijdens de beroepsprocedure.
De voorzieningenrechter oordeelde dat onverwijlde spoed aanwezig was omdat de bescherming zou eindigen voordat het beroep kon worden behandeld. Gezien het aantal en de aard van de beroepsgronden en het belang van verzoeker om de voorzieningen te behouden, woog dit zwaarder dan het belang van de staatssecretaris om de voorzieningen per 4 maart te beëindigen.
Daarom werd het bestreden besluit geschorst totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter W. Anker en griffier N.M.L. van der Kammen en is onherroepelijk. De zaak betreft toepassing van de Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 inzake tijdelijke bescherming bij massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de tijdelijke bescherming is geschorst tot uitspraak in het beroep en de staatssecretaris is veroordeeld in de proceskosten.