ECLI:NL:RBDHA:2024:3398
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen beëindiging EU-verblijf en verwijderingsmaatregel voor dakloze Unieburger
Eiser, een Poolse Unieburger zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, werd door verweerder vastgesteld als persoon zonder rechtmatig verblijf in Nederland. Verweerder legde een verwijderingsmaatregel op vanwege het ontbreken van werk, werkzoekendheid en vaste verblijfplaats. Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kon beëindigen, in strijd met artikel 30 van Pro de Verblijfsrichtlijn, en dat de belangenafweging onjuist was.
De rechtbank oordeelde dat de vaststelling van geen rechtmatig verblijf declaratoir is en dat de verantwoordelijkheid voor het beëindigen van het verblijf bij eiser ligt. Het arrest FS van het HvJEU geeft richtlijnen, maar deze zijn vooral relevant voor Unieburgers met een reguliere verblijfplaats. Eiser, als dakloze Unieburger, heeft weinig integratie in Nederland, wat het beëindigen van verblijf eenvoudiger maakt door simpelweg het land te verlaten.
De rechtbank vond dat verweerder voldoende rekening had gehouden met relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging, waaronder de langdurige verblijfsduur in Nederland, de geboorte en woonplaats van eiser in Polen, en de verblijfplaats van zijn kind. De rechtbank verwierp het beroep en verklaarde het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk omdat de zaak inmiddels inhoudelijk was beslist. Proceskosten werden niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.