ECLI:NL:RBDHA:2024:3315

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 maart 2024
Publicatiedatum
13 maart 2024
Zaaknummer
NL24.8709
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:87 AwbArt. 8:83 AwbArt. 6:10 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter wijzigt voorlopige voorziening tijdelijke bescherming Oekraïense verzoeker

Verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, maakte aanspraak op tijdelijke bescherming die door verweerder per 4 september 2023 werd beëindigd. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening, welke op 1 september 2023 werd toegewezen en het besluit schorste.

Verweerder trok het besluit op 7 februari 2024 in, maar kondigde aan dat de tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 zou eindigen. Verzoeker vroeg opnieuw een voorlopige voorziening om tijdens de beroepsprocedure de rechten van tijdelijk beschermde te behouden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker om de rechten te behouden zwaarder weegt dan het belang van verweerder om deze per 4 maart 2024 te beëindigen. De eerdere schorsing volstond niet omdat die alleen het besluit van 3 juli 2023 betrof. Daarom werd het nieuwe verzoek gegrond verklaard en de voorlopige voorziening aangevuld.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 875. De uitspraak is onherroepelijk en gebaseerd op relevante Europese richtlijnen en besluiten betreffende tijdelijke bescherming van ontheemden uit Oekraïne.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt aangevuld zodat verzoeker de rechten van tijdelijk beschermde behoudt tot vier weken na definitieve uitspraak op het beroep, en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8709

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Inleiding

In het besluit van 18 augustus 2023 heeft verweerder de tijdelijke bescherming [1] van verzoeker beëindigd per 4 september 2023.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 augustus 2023. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
In de uitspraak in deze zaak van 1 september 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:13546) heeft de voorzieningenrechter het besluit van 18 augustus 2023 geschorst totdat uitspraak is gedaan op het beroep.
Op 7 februari 2024 heeft verweerder het besluit van 18 augustus 2023 ingetrokken. Verzoeker heeft meegedeeld nog steeds belang te hebben bij vernietiging daarvan. Bij brief van 7 februari 2024 heeft verweerder aangekondigd dat verzoekers tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 zal eindigen.
Verzoeker heeft in zijn aanvullende beroepsgronden van 4 maart 2024 in de zaak met nummer NL23.25094 opnieuw verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, die inhoudt dat hij tijdens de verdere behandeling van het beroep aanspraak kan blijven maken op de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:87, eerste lid, gelezen samen met artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak buiten zitting op het nieuwe verzoek om een voorlopige voorziening.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening wijzigen.
2. In de voornoemde uitspraak van 1 september 2023 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 18 augustus 2023 geschorst. In dat besluit was sprake van beëindiging van verzoekers tijdelijke bescherming na 4 september 2023. Verweerder heeft echter nadien in de brief van 7 februari 2024 meegedeeld dat verzoekers tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 zal eindigen. Nu verzoeker gelet op deze brief na 4 maart 2024 geen aanspraak meer kan maken op de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde, is er onverwijlde spoed aanwezig om de eerder getroffen voorlopige voorziening aan te vullen. Indien en voor zover deze brief geen besluit zou zijn, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker analoog aan het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.
3. Het beroep kan niet worden afgehandeld voordat verzoekers tijdelijke bescherming eindigt, mede gelet op het aantal beroepsgronden en de aard daarvan. Verzoekers belang om de voorzieningen die horen bij de status van tijdelijk beschermde te behouden zolang het beroep loopt, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan verweerders belang om die voorzieningen op 4 maart 2024 meteen te beëindigen. De hiervoor genoemde uitspraak van 1 september 2023 is daartoe niet voldoende, omdat daarin slechts het besluit van 3 juli 2023 is geschorst. Het nieuwe verzoek om een voorlopige voorziening is gegrond.
4. In de toewijzing van het nieuwe verzoek bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 vult de op 1 september 2023 getroffen voorlopige voorziening aan;
 bepaalt dat verzoeker de rechten die verbonden zijn aan de status van tijdelijk beschermde blijft behouden tot vier weken nadat definitief op het beroep (NL23.25094) is beslist;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn