ECLI:NL:RBDHA:2024:3128
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen beëindiging EU-verblijfsrecht en verwijderingsmaatregel
Eiser, een Poolse staatsburger zonder rechtmatig verblijf in Nederland, werd geconfronteerd met een verwijderingsmaatregel omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf volgens het Unierecht. Hij verbleef langer dan drie maanden in Nederland zonder werk, studie of voldoende middelen van bestaan.
Eiser voerde aan dat de belangenafweging onzorgvuldig was, dat de verwijderingsmaatregel in strijd was met het lex certa-beginsel en dat verweerder geen uitleg gaf over het daadwerkelijk en effectief beëindigen van zijn verblijf. Tevens stelde hij dat bij het opleggen van de vertrektermijn geen belangenafweging was gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat de verwijderingsmaatregel niet in strijd was met het lex certa-beginsel en dat verweerder geen informatieplicht had over de wijze van beëindiging van het verblijf. De belangenafweging was zorgvuldig en mocht in het nadeel van eiser uitvallen. Ook was het opleggen van een vertrektermijn van één maand conform het arrest FS en hoefde hiervoor geen aparte belangenafweging te worden gemaakt.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het EU-verblijfsrecht wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.