ECLI:NL:RBDHA:2024:300
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiseres, met de Iraakse nationaliteit, had een asielaanvraag ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd gehouden voor de behandeling van haar aanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiseres voerde aan dat de toepassing van artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening onterecht was en dat niet alle individuele feiten en omstandigheden, waaronder het evenredigheidsbeginsel, waren meegewogen. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag correct zal worden behandeld.
De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar zus in Nederland zoals bedoeld in artikel 16 Dublinverordening Pro en dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep is gedaan en er geen connexiteit meer is. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.