Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de akte na tussenvonnis in het incident van [gedaagde in de hoofdzaak] , met producties 21 en 22;
- de antwoordakte in het incident van [eiser in hoofdzaak] , met producties 23 tot en met 28.
Rechtbank Den Haag
In deze bodemzaak ging het om een geschil over een overeenkomst van geldlening tussen een eiser uit Zweden en een Finse gedaagde. De rechtbank moest beoordelen of zij bevoegd was om van de vorderingen kennis te nemen. De kern van het geschil betrof de toepasselijkheid van Nederlands recht en de rechterlijke bevoegdheid op grond van internationale regelgeving.
De gedaagde betwistte de echtheid van de handtekening onder de schuldverklaring, waardoor deze geen bewijskracht had zolang de echtheid niet was vastgesteld. De rechtbank liet de beoordeling van de echtheid in het midden, omdat dit niet leidde tot een andere uitkomst. Op grond van artikel 4 lid 2 Rome Pro I-Verordening is het recht van toepassing van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. De kenmerkende prestatie bij een geldlening is het verstrekken van het geld, hier verricht door de eiser sr. De rechtbank oordeelde dat de eiser sr. in Nederland woonde toen het geld werd uitgeleend, zodat Nederlands recht van toepassing is.
Volgens artikel 6:116 lid 1 BW Pro moet de terugbetaling van de lening plaatsvinden op de woonplaats van de schuldeiser, die in Zweden is gevestigd. Dit leidt ertoe dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 1 onder Pro a Brussel I bis-Verordening niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd en veroordeelde de eiser in de kosten van het incident.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering tegen de Finse gedaagde.