Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris niet in behandeling is genomen omdat Polen verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van haar aanvraag op grond van de Dublin-verordening. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met een gerelateerde zaak en concludeerde dat, nu op het beroep in de bodemzaak reeds uitspraak was gedaan, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk was. Daarom werd het verzoek afgewezen.
Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de door verzoekster gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 875,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht voor beroepsmatige rechtsbijstand. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.