ECLI:NL:RBDHA:2024:2519

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 februari 2024
Publicatiedatum
28 februari 2024
Zaaknummer
NL24.138
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerordening nr. (EU) 604/2013Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, met de Syrische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser in Duitsland een asielaanvraag heeft gedaan, gebaseerd op het Eurodac-resultaat en het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de Duitse asielprocedure of bijzondere omstandigheden die overdracht aan Duitsland onevenredig hard maken.

De enkele stelling van familieproblemen in Duitsland is onvoldoende om de overdracht te weigeren. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.138

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1983 en de Syrische nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [2] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser stelt in beroep dat hij geen asielaanvraag heeft gedaan in Duitsland. Ook stelt hij dat hij niet kan terugkeren naar Duitsland vanwege problemen met zijn familie en omdat er geen mogelijkheden bestaan om daar een asielaanvraag te doen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft terecht aangenomen dat eiser in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Dit volgt uit het Eurodac-resultaat en verweerder mag op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaan dat die registratie juist is. Nu eiser geen informatie heeft verstrekt om hieraan te kunnen twijfelen, staat vast dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. In zijn algemeenheid mag verweerder ervan uitgaan dat Duitsland zich bij de behandeling van eisers asielaanvraag zal houden aan zijn internationale verplichtingen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan.
5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de Duitse asielprocedure. Duitsland heeft met het expliciete claimakkoord ook de garantie gegeven dat de asielaanvraag van eiser met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen in behandeling wordt genomen. Dat er geen mogelijkheid bestaat om daar een asielaanvraag te doen wordt dan ook niet gevolgd.
6. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat er sprake is van andere bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. De enkele stelling dat eiser zijn familie in Duitsland niet wil zien wegens familieproblemen is daartoe onvoldoende. Ter zitting heeft eiser daar nog aan toegevoegd dat deze problemen overigens slechts klein zijn. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om de behandeling van de asielaanvraag van eiser alsnog aan zich te trekken.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening nr. (EU) 604/2013.