ECLI:NL:RBDHA:2024:2394
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faillissementsverzoek wegens onvoldoende bewijs van vorderingsrecht en betalingsonmacht
De rechtbank Den Haag behandelde op 13 februari 2024 het verzoek tot faillietverklaring van een besloten vennootschap, ingediend door een verzoeker die stelde een vordering van € 98.000,-- te hebben op de vennootschap. De verzoeker baseerde zijn vordering op een akte van cessie van een vordering op een vennootschap onder firma waarvan de verweerster een van de vennoten was.
De verweerster betwistte het bestaan van het vorderingsrecht en voerde aan dat de cessieakte niet rechtsgeldig was, mede omdat de vertegenwoordiger van de oorspronkelijke schuldeiser niet bevoegd zou zijn geweest. Tevens stelde zij dat zij niet meerdere schulden onbetaald liet en niet had opgehouden te betalen. De rechtbank overwoog dat het verzoek tot faillietverklaring alleen kan worden toegewezen indien het vorderingsrecht en de toestand van betalingsonmacht summierlijk blijken.
Na een kort onderzoek concludeerde de rechtbank dat het verweer van de verweerster niet zonder redelijke kans van slagen in een bodemprocedure kon worden gepasseerd. Daarom kon niet worden aangenomen dat het vorderingsrecht van de verzoeker vaststond. Ook het bestaan van de faillissementstoestand hoefde niet verder te worden onderzocht. De rechtbank wees het verzoek tot faillietverklaring af.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring van de vennootschap wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het vorderingsrecht en het ontbreken van betalingsonmacht.