ECLI:NL:RBDHA:2024:2368
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit en inreisverbod wegens overschrijding verblijfsduur Schengenvisum
Eiser, houder van de Turkse nationaliteit, reisde op 15 april 2023 Nederland binnen met een Schengenreisvisum geldig tot 27 september 2023, dat een verblijf van maximaal 90 dagen toestond. Op 23 september 2023 wilde eiser Nederland verlaten, maar bij de grenscontrole werd vastgesteld dat hij de toegestane verblijfsduur met meer dan drie dagen had overschreden. Daarom legde de staatssecretaris op 23 september 2023 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van één jaar op.
Eiser stelde zich op het standpunt dat het terugkeerbesluit niet had mogen worden opgelegd omdat hij voornemens was Nederland vrijwillig te verlaten en dat hij niet was gehoord voorafgaand aan het besluit. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 verplicht was het terugkeerbesluit op te leggen, aangezien eiser geen rechtmatig verblijf meer had en niet viel onder uitzonderingen die afzien van oplegging rechtvaardigen.
Verder concludeerde de rechtbank dat de hoorplicht niet was geschonden omdat eiser bij de grenscontrole een voornemen tot oplegging had ontvangen met een formulier om bijzondere omstandigheden aan te geven, waarop eiser had aangegeven geen nadere hoorzitting te wensen. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard, waarmee het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand bleven.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod is ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.