Uitspraak
Omgang
Beschikking op het op 5 januari 2021 ingekomen verzoek van:
[vader],
[moeder],
Procedure
- de brief van 9 mei 2023 van de Raad;
- het rapport en advies van de Raad van 13 september 2023, kenmerk [kenmerknummer].
Rechtbank Den Haag
De vader verzocht de rechtbank om hervatting van de begeleide omgang met zijn vijfjarige dochter, nadat het eerdere traject bij het Wilmahuis in de zomer van 2022 werd stopgezet vanwege zijn drugsgebruik, agressieve uitingen en de aanwezigheid van een vuurwapen tijdens een begeleid bezoek.
De Raad voor de Kinderbescherming rapporteerde dat het kind ruim een jaar geen contact met haar vader heeft, zonder dat zij daar last van lijkt te ondervinden. Wel is er sprake van een hechte vader-dochterband en wederzijdse affectie. De Raad benadrukte echter de problematiek van de vader, waaronder detentieverleden, verslavingsproblemen en schuldproblematiek, en adviseerde het verzoek aan te houden totdat de vader zich voldoende heeft behandeld.
De vader gaf aan momenteel in behandeling te zijn bij Parnassia en vooruitgang te boeken, maar nog niet geheel vrij te zijn van middelengebruik. De moeder heeft geen vertrouwen meer in het contact en acht omgang te belastend voor het kind.
De rechtbank oordeelde dat de omgang in 2022 stopgezet werd vanwege de gedragingen van de vader en dat er onvoldoende zicht is op een succesvolle behandeling op korte termijn. Het belang van rust voor moeder en kind weegt zwaarder dan het belang van de vader. Het verzoek tot omgang werd daarom afgewezen, met de mogelijkheid voor de vader om in de toekomst opnieuw een verzoek in te dienen met ondersteunende behandelrapporten.
Uitkomst: Verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn dochter wordt afgewezen wegens onvoldoende vooruitgang in behandeling en onveilige situatie.