ECLI:NL:RBDHA:2024:23357
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten wegens overschrijding beslistermijn machtiging voorlopig verblijf
Verzoekster is op 15 maart 2024 in beroep gegaan tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. De minister heeft op 31 mei 2024 alsnog een beslissing genomen. Hierop heeft verzoekster het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.
De minister heeft geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek tot vergoeding van proceskosten. De rechtbank oordeelt dat omdat de minister pas na het instellen van het beroep heeft beslist, verzoekster recht heeft op vergoeding van haar proceskosten. Gezien het inschakelen van een professionele juridische hulpverlener en het beperkte geschil over de overschrijding van de beslistermijn, wordt een lager bedrag toegekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 437,50 aan verzoekster, bestaande uit een deel van de proceskosten en het betaalde griffierecht van € 187,-. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra op 5 september 2024.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan verzoekster wegens overschrijding van de beslistermijn.