ECLI:NL:RBDHA:2024:23153
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Bewaring opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 20 juli 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 13 augustus 2024 en deed direct uitspraak.
De rechtbank constateerde dat verweerder aanvankelijk voortvarend handelde door op 23 juli 2024 een vertrekgesprek te voeren en op 24 juli 2024 de laissez passer-aanvraag intern door te sturen. Echter wachtte verweerder vervolgens 18 dagen met het doorsturen van de aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten, waardoor de uitzetting werd vertraagd. Dit werd als een gebrek aan voortvarendheid beoordeeld.
Hoewel de maatregel van bewaring op zichzelf niet onrechtmatig werd geacht, was de vertraging in het uitzettingstraject onrechtmatig. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring met ingang van 25 juli 2024 onrechtmatig was en beval de opheffing per 13 augustus 2024. Tevens werd aan eiser een schadevergoeding van € 2.000 toegekend voor de onrechtmatige vrijheidsontneming en werden proceskosten van € 1.750 aan eiser toegekend.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is opgeheven wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting en eiser ontvangt een schadevergoeding van € 2.000.